We spelen de toerist vandaag en met veel overtuiging. We zijn niet de enigen, het is een lokale feestdag en bij de tempels is het druk, maar misschien is het wel altijd zo. We pakken de fiets en gaan de stad in. We mogen weer rechts rijden. Dit geeft nog niet heel veel vertrouwen, aangezien de meeste auto’s het stuur ook rechts hebben, goedkope import uit Australië of Indonesië. Mandalay heeft zelfs een fietspad. Gesponsord door Hansaplast, staat er op de borden.
Onze eerste stop is het City Palace, in een groot ommuurd park midden in de stad. Om binnen te komen moeten we niet alleen betalen, ons inschrijven in een boek en een rijbewijs achter laten, we krijgen ook een visitor’s pas met een groot nummer om. We moeten de fiets laten staan. Een soldaat met geweer zal een oogje in het zeil houden. Het Mandalay Royal Palace ligt een mijl verderop. We laten ons er met helm achterop de brommer naar toe brengen. Een gouden dak met 8 verdiepingen is letterlijk het hoogtepunt, boven de troonzaal. Daarom heen veel houten gebouwen, alles dieprood geverfd, met overal goudgeverfde details en houtrot. Je hebt niet veel fantasie nodig om je voor te stellen dat hier in de gloriedagen een hele hofhouding met alle entourage die erbij hoort gefunctionneerd heeft. 
De volgende stop is Mandalay hill. Aan de basis waar we onze fietsen neerzetten staat de eerste tempel omringd door kraampjes. Schoenen uit, kijken en je verbazen. Hoe het zit is voor ons niet echt duidelijk, er staan veel boeddhabeelden, die allemaal op elkaar lijken, maar elk met een eigen collectebus, dus er zal wel verschil zijn. Voor ons is het juist de herhaling die indruk maakt.
Dan gaan we de trappen op. Het verhaal wil dat er meer dan 1700 treden zijn en dat zou zo maar kunnen. Gelukkig zijn er veel tussenstops in de vorm van tempeltjes. Veel kleine en af en toe ineens een verrassing, zoals een grote gouden boeddha of een tempel die nog in de steigers staat. Alles natuurlijk op blote voeten. Naarmate we stijgen wordt ook het uitzicht mooier. Bijna op de top zien we een gigantische bui over de stad trekken, alsof een gordijn dicht gaat. Gelukkig duurt het niet lang. De tempel op de top heeft veel spiegeltjes, potten met heilig water en boeddhabeelden. Plus vlakbij een parkeerplaats, de meeste lokale mensen gaan tot daar met een pickuptaxi naar boven. Wij nemen daar de brommer naar beneden. In de haarspeldbochten knijp ik mijn ogen toch even dicht.
Op de terugweg stappen we af bij Kuthodaw Paya, een grote met goud vergulde stoepa, omringd door heel veel kleine identieke stoepa’s. In elk ervan ligt een stuk marmer met een deel van een heilige tekst. De regelmaat van de rijen kleine stoepa’s is indrukwekkend. Overigens is klein ook relatief, ze zijn meer dan menshoog.
In de avond eten we in het Mingelabar (=hallo) restaurant. Today’s specials zijn voor ons onbegrijpelijk. Het is bijzonder eten, goed klaar gemaakt, maar de smaken zijn ons nog wat vreemd en het is af en toe flink scherp. Het toetje bestaat uit pinda’s, geroosterde witte bonen en gefermenteerde theeblaadjes. Lekker!










De eerste anderhalve kilometer waren zo steil dat we nog even met het idee gespeeld hebben terug te gaan en een auto te regelen. Dat hebben we niet gedaan. We hebben het gered. Nog nooit zo’n lange zeven kilometer gehad, 615 hoogtemeters en regelmatig hellingen van boven 20%. Boven komen we bij twee meren. Daar doen we wat alle toeristen en dagjesmensen doen, we maken een selfie en laten ons op de foto zetten. Tevreden dat we op eigen kracht boven gekomen zijn.

De palmbomen tussen de rijst, de rijtjes kousenband, een zwerm tamme eenden. Er komt een pickup met grote rose varkens langs. Het fietsen wordt zwaarder. Het laatste stuk valt niet mee. Een stop om op adem te komen geeft uitzicht op een crematieritueel. Een paar meiden komen aanlopen, willen hun Engels oefenen en geven graag uitleg.

Het hotel vertelt dat de dolfijnen bezoekuur hebben in de ochtend van 6 tot 8 en van 8 tot 10 uur. Wij gaan voor de vroege variant. En we zijn niet de enigen. Er dobberen wel dertig bootjes. Onze stuurman gaat de andere kant uit, daar is het rustiger. We varen al een hele tijd, we hebben één vinnetje boven water gezien als hij vraagt of we op tijd terug willen zijn. Da’s niet nodig. Voor ons niet en voor beide Russen bij ons in de boot gelukkig ook niet. We varen dus door, terwijl de vraag rijst of de dolfijnen niet toevallig een dagje vrij hebben. Dan laten ze zich zien, wat gaaf. Zo sprankelend, speels, nu aan de ene kant van de boot, dan weer een stukje verderop aan de andere kant. Het is een hele groep en steeds weer zien we hen, grijs, glad, glanzend. Elke paar minuten weer ergens anders. En wij op de boot, grijnzend, zo mooi is het.
We hangen ergens halverwege en kijken onze ogen uit, zo veel kleuren, zo uitgestrekt. Of je omhoog kijkt, of omlaag, overal koraal.
En als je stil gaat hangen zwemmen de vissen om je heen en zie je de details bij het koraal, het clownvisje, de morene, de doktersvissen.






