In de baai ligt een groot roestig schip. Wat verderop hangt een touw. Daar duiken we onderdoor naar de ingang van het resort. Bij de balie staan vijf mensen om ons te ontvangen. Iedereen heeft een eigen klusje. Maar als we willen betalen weigert het pinapparaat.
We hebben een debiel grote kamer. Met uitzicht en privéterras.
Het terras delen we met een pad, zo ongeveer schoenmaatje 38.
We doen een dagje helemaal niets. We hangen een beetje, zwemmen een beetje en laten ons masseren. We genieten van het uitzicht en van het overdadig groen. En van de gekko’s, hoe zulke kleine beestjes zoveel herrie kunnen maken.
We rijden op het gemak. In deze warmte kan het ook niet anders. Het is rustig op de weg. We worden ingehaald door brommers, die op allerlei manieren zijn omgebouwd voor passagierstransport. Er passen zo maar 10 kinderen in schooluniform op. En wat die uniformen betreft, die hebben altijd een smetteloos wit bloesje.
We stoppen om wat te drinken. Er staan wat Duitse nummerborden. En inderdaad, de eigenaar is een 74-jarige Duitser. Hij schuift bij ons aan en wat volgt is een waterval aan verhalen. Alsof hij zijn Duits weer even mag loslaten.
Er zijn wat dingen uit zijn verhalen die blijven hangen, het lokale dagloon van 150 peso (€2,25) en de omschrijving van westerse echtgenoten als moneytrees. En als we weg gaan ‘der Chef akzeptiert kein Trinkgeld’.
We fietsen langs de zee. Overal zien we vissersboten, op het water en op het strand. In de dorpen ruiken we de vis. De verse vis wordt verkocht, maar wordt ook gedroogd. We stoppen om even te kijken naar het drogen van sardientjes. Er wordt ons meteen een zak aangeboden. Dat is heel lief, maar dat aanbod slaan we af.
We lunchen in een tentje langs de weg. Ook hier veel schalen waar we uit kunnen kiezen. Het eten wordt op een plastic bordje afgepast. Voor schoolkinderen gaat het daarna in een plastic zakje om mee te nemen.
Wij eten ter plekke. Inclusief twee cola betalen we €3,50. Het contrast met het resort waar we vanavond slapen kan niet groter zijn. Vooral omdat we ons vergisten in de mail, de prijs was per nacht en niet voor 2 nachten. We blijven, het is te warm om verder te fietsen.
We sjouwen onze bagage de 120 treden naar boven tot bij onze fietsen. Het was een gave plek met bamboe huisjes. Vanuit ons bed zagen we de zee en voelden we het briesje.
Gisteren hadden we een rustige dag. We hebben gesnorkeld tussen de guppies (die uit jouw aquarium, Hans, zwemmen hier gewoon in zee). En we hebben opnieuw gedoken. Heel relaxt met beter zicht dan in Anda. En verrassend, zeekomkommers.
Nu stappen we weer op. We starten met wat klimmetjes, met een stukje van 17% zit de stemming er meteen goed in. Maar de rest vandaag belooft vlak te zijn. Het is al heet in de zon. We passeren wat stenen zuilen met een hek eromheen. Het is de ruïne van een oud klooster. Hier spookt een non zonder gezicht. Niets gezien, die vindt het vast ook te warm.
Het is een mooie route. We passeren wat kleine dorpen. Hier halen ze de snelheid uit het verkeer met onverharde stukken weg. We komen langs drinkwaterpompen. Blijkbaar is in deze uithoek geen waterleiding. Zo aan het begin van de dag is het er druk. We passeren palmplantages en bananenplantages. En steeds weer zijn er doorkijkjes naar zee.
Het is ploeteren. De zon schijnt vol op onze rug, er is geen ontkomen aan. Het is dan ook niet erg als het dicht trekt en er een flinke bui los barst. We stoppen bij een bakker en wachten af.
Ineens heeft iedereen die langs loopt een paraplu. Met 10 minuten is het weer droog en een stuk aangenamer. We moeten nog een paar keer van de fiets om te schuilen en te eten.
Eindpunt van vandaag is een klein, lokaal resort aan het eind van een onverharde weg. Het ziet ernaar uit dat we de enige gasten zijn, tot de karaoke aangeslingerd wordt en de andere gasten de rest van de dag van zich doen horen.
Gisteren hebben we tickets voor de ferry naar Negros al gekocht. Dat betekent dat we het haventerrein op mogen. Nu moeten we nog in de rij voor de havengelden, om de fiets te wegen en om voor de fiets te betalen. En voor een bagagescan. Net als we willen doorlopen voor koffie blijkt dat we ook een QRcode ergens voor moeten hebben. Nog een keer in de rij dus. Terwijl we wachten op de boot raken we aan de praat met de Amerikanen naast ons. Ze zijn de koude winter van Chicago ontvlucht naar Griekenland en Ethiopië. Nu zijn ze hier, met hun 79 jaar, om te wandelen. Een mooie inspiratie.
Dumaguete op Negros geeft meteen een andere indruk als Tagbiliran, minder rommelig en wat vriendelijker. Het speelt vast ook mee dat de zon schijnt. We rijden nog even langs de fietsenmaker voor een nieuwe bidon en rijden dan de stad uit.
Het is een grote weg. Er is een aparte rijbaan voor langzaam verkeer, het lijkt bijna een fietspad. Het duurt even voor de waarschuwingen voor ped xing landen, het zijn de voetgangsoversteken.
We hebben wind in de rug en het is rustig op de weg. We schieten lekker op. We passeren een monument dat het einde van de tweede wereld oorlog op de Filipijnen markeert. Een stukje geschiedenis waar we weinig beeld van hebben.
Er zijn ons al wat vrachtwagens vol suikerriet tegemoet gekomen. Nu rijden we langs de eerste suikerrietvelden. In de verte zien we de zee. We nemen een kleine afslag en aan het eind van de weg is een poort. Deze keer is de trap maar 120 treden. We komen uit aan een kleine baai. Hier hebben we een bamboe huisje aan het strand voor de komende twee nachten.
Het giet als we wakker worden. We ontbijten op ons gemak en drinken koffie met twee Vlaamse fietsers. Dan gaat de regenjas aan en rijden we.
Het is bewolkt en nat. Alles glimt van het water. Het is geen weer om veel foto’s te maken, terwijl de route wel erg mooi is.
We passeren de laatste Chocolate hills. Het is rustig op de weg. We twijfelen of het komt door de regen of omdat het zondag is. De kerken waar we langs rijden zijn goed gevuld en de preek is tot buiten te horen. Als de dag vordert horen we steeds minder preken en steeds meer karaoke.
Tegen het eind van de ochtend gaat de jas uit. Het is niet echt droog, maar het wordt te warm voor een jas. We rijden een stukje om om te lunchen. Hier passen we de route aan en we rijden een mooi smal pad in. Binnen de kortste keren is het onverhard en wordt het een soort veldrijden. Pittig, maar mooi.
Vannacht blijven we in Tagbiliran. In deze natte kleren willen we niet de pont op. Morgen steken we over naar Negros.
Gisteren hebben we gedoken. Zonder camera. Dus we hebben geen plaatjes van blauwe zeesterren, waterslangen, Nemo’s of koraal. Dat is wel wat we gezien hebben. Ondanks de opfriscursus van een paar weken geleden ging het duiken niet helemaal vanzelf, met als gevolg dat ik gisteravond heel vroeg in bed lag.
Vanochtend vertrekken we met een stralend blauwe lucht. Het is warm en vochtig. Na de grijze luchten van de afgelopen dagen voelt het alsof we opnieuw moeten acclamatiseren. Vandaag gaan we eindelijk gewoon fietsen. Er is geen ferry waar we rekening mee moeten houden.
Het eerste stuk is vlak, verwachten we. Het valt dan ook tegen als we binnen 10 kilometer moeten afstappen. We geven het duiken de schuld, tot Carry op zijn Garmin kijkt en ziet dat de helling 16% is. In de verte zien we de zee.
Het zweet loopt aan alle kanten langs ons lijf. We vragen ons af of we ooit eerder in een zo tropisch kilmaat gefietst hebben. We doen een extra stop om wat te drinken.
De uitzichten zijn fantastisch. Het zijn 1000 tinten groen. We rijden langs rijstterrassen, met palmen en bananen. We rijden door dorpjes waar kinderen ons najoelen en ouderen op de foto willen.
Inmiddels is het bewolkt. Eigenlijk fietst dat wel lekker. We stoppen om te eten. Ook hier staat er een soort buffet klaar, bestaand uit wel 15 schalen. Je wijst aan en het wordt meteen opgeschept. Het is prima eten. Als we er cola bij willen drinken hebben ze ook een literfles. Die gaat leeg, zo veel vocht hebben we verloren.
Het laatste stuk klimmen we gestaag door. Het is zaterdagmiddag. Mensen maken zich op voor het weekend. In karaokebars schalt de muziek al over de straat. We landen in Carmen, het hotel ziet er prima uit. Maar als blijkt dat we de kamer delen met een mierenkolonie vragen we toch om chemische hulp.
Na een nacht met veel regen is het vanochtend al snel duidelijk, ook vandaag gaat er geen boot naar Camiguin. Dus we passen de plannen aan en rijden verder.
Onze route loopt evenwijdig aan de kust. Regelmatig rijden we vlak langs de zee. De golven hebben witte kopjes. Hier komt de wind van ver en is het duidelijk waarom de ferry niet vaart. Het uitzicht is fantastisch.
Het is een fijne dag trappen. Het verkeer is rustig. Natuurlijk knettert er van alles langs en wordt er getoeterd, maar dat hoort erbij. Overal lopen honden. Soms zijn ze bijna niet te ontwijken. Ze reageren niet agressief. Maar ondertussen zijn we al meerdere Animal Bite Centers gepasseerd, dus misschien valt het toch niet zo mee.
Eindpunt vandaag is Anda White Beach. Met deze naam is geen toelichting nodig. Voor de kust ligt een rif. Daar hopen we morgen te duiken, als de wind geen roet in het eten blaast.
Uiterlijk half 2 willen we in Jagna zijn voor de boot naar het volgende eiland. Tussen ons en de haven liggen zo veel hoogtemeters dat we het eerste stuk met een busje doen. Het is een mooi stuk, met inderdaad twee flinke klimmen. Het is luxe om ons even zo te laten vervoeren.
Vanaf 790 meter rijden we naar beneden. Het is een beetje bewolkt maar de uitzichten zijn prachtig. We rijden door oerwoud en langs rijst. Hier is de rijst nog niet helemaal rijp en zó helder groen. Het geeft haast licht. In de verte is de zee al te zien. We krijgen er geen genoeg van en stoppen regelmatig voor foto’s.
We zijn ruim op tijd in de haven, maar er gaat vandaag geen boot ’due to strong wind and rough seas’. Kijkend naar de weersverwachting betwijfelen we of er morgen wel gevaren wordt. De dame achter het loket geeft het wel een kans – of is het de Filipijnse gewoonte liever geen nee te zeggen? Morgen gaan we het zien.
We strijken neer op een terrasje. Bij een verse smoothie overwegen we onze opties. Conclusie is dat we een nacht hier in Jagna blijven.
Overigens, het is misschien al opgevallen, de meeste plaatsnamen komen uit de koloniale tijd en zijn Spaans. Wij spraken het dus uit als Gagna, maar we werden toegelachen, het is Hagna.
Vanuit Jagna fietsen we naar Kinahugan falls, een waterval een paar kilometer verderop. Die 400 hoogtemeters in tien kilometer nemen we graag voor lief.
Het oerwoud was fantastisch vannacht. Zo veel verschillende geluiden en geen idee welke beestjes het maakten. In de ochtend zien we pas hoe mooi de plek is, aan de rivier, met simpele hutjes. De hellingen zijn tropisch groen, met eindeloos veel verschillende soorten bomen.
Als we de bagage omhoog gesleept hebben begint het klimmen van vandaag. Je zou zeggen, het is maar 30 kilometer, maar we zijn nog echt aan het wennen aan het klimaat. Het is warm met een hoge luchtvochtigheid, ofwel bij een beetje inspanning stort het zweet eruit.
Na een kilometer of tien staan er borden dat we door een manmade forest rijden. De bomen zijn gigantisch. We rijden in de schaduw en de temperatuur is ineens een paar graden gedaald. Aan de rand van het bos ligt opnieuw een tarsiers reservaat. Hier is het een grote toeristische kermis vol toeristenbusjes en kraampjes. Én een stalletje dat verse, gekoelde kokosnoten verkoopt.
Vanaf hier rijden we redelijk vlak met de wind vol op kop verder. Het fietst soepel en het is een traject om blij van te worden. We passeren kleine dorpjes. We rijden langs rijstterrassen omzoomd door palmbomen. Het wegdek is goed genoeg en het verkeer valt mee.
We landen bij een bed&breakfast. Van hieruit gaan we met een tuktuk naar Chocolate hills. Vanuit zo’n vehikel beleef je het verkeer als veel chaotischer. De Chocolate hills zijn kegelvormige heuvels, begroeid met gras dat in de droge tijd bruin wordt. Nu zijn het meer pistache hills. Het verhaal wil dat de ruim 1200 heuvels de tranen van een reus met liefdesverdriet zijn. De meer exacte verklaring is iets met kalksteen en erosie, de zogenaamde kegelkarst. Het ziet er waanzinnig mooi uit.
En het trekt zo veel mensen dat we file lopen op de trap naar het uitzichtpunt.
Eindelijk zijn we onderweg, mét alle bagage. Door het maandagochtendverkeer rijden we naar de haven. Inchecken voor de boot is één groot bureaucratisch feest. De tickets die we online gereserveerd hadden zijn niet binnen gekomen. Dat betekent in de rij staan. Als bejaarde mag ik in de priority lane. Conclusie van achter het loket is, wachten of een nieuw ticket kopen. Ik kies voor het laatste. Dan hebben we toegang tot de vertrekhal.
Natuurlijk moeten we daarvoor ook een kaartje kopen én havenbelasting betalen. Dan moet de bagage door de scan. Tot slot wordt de fiets gewogen en betalen we per kilo fiets. Van alles krijgen we een bonnetje en houdt de administratie een doorslagje.
In Tagbiliran bepalen tuktuks en motoren met zijspan het beeld van het verkeer. Ze zijn veel breder dan gewone brommers maar gedragen zich hetzelfde. De taxi’s zijn overigens gemakkelijk te herkennen aan een groot nummer achterop en een bijbeltekst eronder.
We rijden langs de eerste rijstvelden. De rijst staat donkergroen en geel op het veld. In de berm ligt rijst te drogen. Een kip pikt haar graantje mee.
We maken nog even vaart om vóór sluiting bij de tarsiers te zijn. Het zijn de kleinste primaten ter wereld met ogen die groter zijn dan hun hersenen. Deze nachtdieren slapen op een vaste plek. Met een gids zien we drie aapjes, zo klein als mijn hand. In mijn gedachten is er een roulatieschema en zijn deze aapjes op maandag aan de beurt.
We rijden verder en na een laatste klim zijn we bij de afslag naar ons hotel. Tja, dit ligt aan de rivier, 275 treden lager. Het heet niet voor niets Nuts Huts. Carry loopt al met zijn fiets op de trap. De tranen springen me in de ogen. Hier ga ik mijn fiets niet omlaag zeulen -en erger nog, morgen weer omhoog. Gelukkig is er een oplossing, mijn fiets mag in de garage. Dan hoef ik nu alleen nog maar naar beneden met mijn tassen.