Verder

Vandaag zijn we traag begonnen. Het was echt nodig om na gisteren wat extra tijd te nemen. Maar in een zwembad met uitzicht op sawa en jungle is dat geen straf. Ook de binnentuin was mooi, met wat huistempels. Die huistempels hebben overigens wel een gebruiksaanwijzing, gezien de mededeling dat je sommige delen van de tuin niet mag betreden als je menstrueert uit eerbied voor de god Astana Swaha. En uit eerbied voor de godin Gangga zijn dan ook wat stukken bij het zwembad verboden terrein. 

Het vereiste wat moed om weer op de fiets te stappen. We zijn pas na de lunch vertrokken, voor een kort traject, op weg naar de kust voor de oversteek naar Lombok. Toch gingen we de eerste 11 kilometer nog bijna 400 meter omhoog. Af en toe piepte een van de vulkanen door de wolken. Daarna begon het grote naar beneden rijden… in 6 kilometer bijna 600 meter. Naar beneden remmen is een betere omschrijving, want er zaten stukken tussen met een hellingpercentage van boven 25%. Uiteindelijk ga je dan heel traag naar beneden, met haast kramp in de vingers van het knijpen in de remmen. Natuurlijk zijn we onderweg nog een paar keer gestopt, om te genieten van het uitzicht: een grote groene bomenzee met de zee in de verte. Als toetje had Google voor ons een aangepast traject, een klein stukje onverhard met kiezels, precies lang genoeg om te ontdekken dat het herstel van gisteren nog niet compleet was. 

Nu zitten we aan zee in Padangbai. De reisgids noemt dat er een boulevard ligt. Dat is een wat optimistische omschrijving voor het rommelige rijtje restaurants en hotels dat hier aan de rand van het strand staat. Maar het heeft een heerlijk relaxte uitstraling, er dobberen bootjes in alle soorten en maten in het water en je kunt er prima eten. We zitten hier op ons gemak. 

Ooooh

Net na zevenen zaten we op de fiets en hadden we de eerste helling van 16% al te pakken. En dat zou de hele dag niet anders worden. Lieve help, wat was het afzien, dan gingen we weer stevig omlaag, water over, en hup nog steviger weer omhoog. We hebben nog nooit zo vaak gelopen. Dus eerlijk gezegd hebben we nu niet alleen zware benen, maar ook zware armen van het duwen van de fiets. Maar het was absoluut de moeite waard, het was zo ongelooflijk mooi. 

Om half 8 fietsten we door de rijstvelden bij mooi strijklicht en genoten van de dauw op de sawa’s. Een half uurtje later wandelden we de meer dan 150 treden van Gunung Kawi naar beneden. In onze fietskleren, keurig met een sarong er omheen. Dit is een van de oudste tempels van Bali, met 10 candi uitgehakt in de rots. Mooi. En vooral de ligging, langs rijstvelden omlaag naar het tempelcomplex, aan alle kanten het overvloedig groen van de jungle. 

Verder fietsen bracht meer hellingen en daarmee ook meer mooie uitzichten. En irrigatiekanalen, waar de was gedaan werd en kinderen badderden. Alles over smalle redelijk goede weggetjes. Er reed af en toe een brommer en mensen groetten vriendelijk. De hoeveelheid huistempels blijft verbazingwekkend. Door een dorp fietsen geeft een aaneengesloten beeld van tuinmuren waar tempeltorentjes bovenuit steken en bij elke openstaande deur de vraag is wat er achter te zien is. Tussendoor nog ‘even’ in sarong op bezoek bij een tweede tempelcomplex, Pura Kehen. De fietsen achtergelaten bij een souvenirkraam. Een heel mooie entree en binnen in diverse mooi uitgesneden heiligdommen. 

Over het laatste deel van de route kunnen we alleen maar zeggen dat het een afwisseling was van ploeteren en genieten. Het heeft ons wel wat geleerd: Weet je wat Ganesha vraagt, we kregen wat we zochten, mooie routes zonder veel verkeer – want wie is gek genoeg om dit soort wegen als een doorgaande route te gebruiken? 

Ubud

We zijn in Ubud. Lonely Planet omschrijft dit als ‘het perfecte tegengif tegen de funloving stranden van het zuiden, de plek waar je naar toe gaat als je genoeg hebt van alle gefeest en toe bent aan wat spirituele schoonmaak en ontgifting’. Dat klinkt goed, daar willen we wel heen. Tegelijkertijd is het volgens hetzelfde stukje ook ‘een van de beroemdste toeristensteden van Azië, waar je alleen met een wandeling de met verkeer verstopte straten kunt ontvluchten naar de idyllisch groene omgeving’. En inderdaad, onze eerste kennismaking met Ubud bevestigt dit beeld. Via kleine, drukke weggetjes met veel brommers bereiken we Ubud en we fietsen helemaal vast in het drukke verkeer, als we op zoek zijn naar ons hotel. We komen twee andere fietsers tegen, die net als wij een beetje verwilderd rond rijden. Als we ons hotel dan uiteindelijk gevonden hebben, aan de rand van de stad, is het een soort oase, met huisjes en zwembad die rond een rijstveld staan.

Een van de attracties van Ubud is het apenbos. Vol apen die het liefst op toeristen klimmen en geen kans voorbij laten gaan om zich wat eetbaars toe te eigenen. Er staat een mooie tempel in het midden van het bos met bomen vol lianen. Het doet denken aan Junglebook, al zijn deze apen wat kleiner en is Mowgli niet meer alleen in het bos.

Ook heeft Ubud een aantal mooie tempels en paleizen. Op weg naar een van de tempels in het centrum van de stad kiezen we een achterafstraatje. Dit voelt wat meer als Indonesië. Her en der staan de poorten bij huizen open. Als je naar binnen kijkt zit daar op een troon Ganesha, een mooie dikbuikige olifant, omhangen met bloemenslingers. Hij is de god van de handel en de kennis, degene die obstakels uit de weg ruimt. Wanneer gelovigen iets nieuws ondernemen, bijvoorbeeld een reis, dan bidden ze eerst tot Ganesha. Misschien moeten wij hem ook eens wat gaan brengen, nu we op deze nieuwe plek zijn. Morgen fietsen we het buitengebied in, op zoek naar de idylle. 

Haan

De eerste echte fietsdag op Bali. Met druk verkeer gaan we de stad uit, al is wel duidelijk dat het vooral de locals zijn die al wakker zijn. Overal zien we tempels, met offergaven: Kleine bakjes met bloemen, wat rijst en soms een snoepje. Het zijn overigens niet alleen de goden die hiervan genieten, soms zie je ook hanen de rijst eruit pikken. Het is bewolkt, nog geen dertig graden, eigenlijk wel een beetje fris.Onze eerste stop is Tanah Lot. Natuurlijk stappen we af voor een bezoekje. Het is een belangrijke, historische hindoetempel op een eilandje voor de kust. De bewaker bij de entree herkent ons als Nederlanders aan hij het merk van de fietsen. Het eilandje is nu even geen eiland, maar dat berandert want het wordt vloed, het water stijgt langzaam. Qua toeristenaantal is het sowieso vloed. Ze staan zelfs in de rij voor de bron met zoet water. Als je je daarmee wast, krijg je een paar rijstkorrels op je voorhoofd en een bloem achter je oor. En je mag een stukje van de trap naar de tempel op. De tempel zelf is voor ons als toerist buiten bereik.

We fietsen door en blijven ons verbazen over de hoeveelheid tempels. Als we een rijtje gekleurde parasols zien, stoppen we om te kijken. Hier staat niet alleen een tempel, maar ook een arena voor hanengevechten. We vallen met onze neus in de boter. Alle bankjes zitten vol en juist op dit moment worden er hanen gekeurd voor het volgende gevecht. Het is duidelijk dat ze gelijkwaardig moeten zijn en voldoende vechtlustig. Zo mag de eigenaar van een haan, ook de haan van de tegenstander vasthouden en keuren. De man naast ons meldt dat hanengevechten echt bij Bali horen. 

Als de keuze voor twee kemphanen gemaakt is, komt de map met de messen te voorschijn. Een van de achterpoten wordt gemeten en een passend mes wordt uitgezocht. Met een mooi rood draadje wordt het om de poot gebonden. Met wat pleisters worden de losse eindjes afgedekt. De haan is er klaar voor. Maar het publiek nog niet. Nu kan er gewed worden. Voor beide hanen worden aanprijzingen gedaan en bankbiljetten geworpen. Ondertussen worden de hanen nog wat opgejut en dan gaat het los! Een boel geklapper, geschud van veren, een bloedspoor. Er is een duidelijke winnaar. De strijd wordt gestaakt. Het mes wordt voorzichtig los gemaakt van de poot van de winnaar.

Een vrouw van een van de kramen langs de arena loopt naar boven en krijgt de verliezende haan in handen gedrukt. Ze loopt weg. Het beest krijgt nog een flinke snee over de borst. Terwijl hij nog stuiptrekt wordt hij ondersteboven in een gereed staande pan kokend water gestopt. Hij beweegt niet meer als hij in de emmer water met citroenen ernaast gestopt wordt. Hup, meteen plukken die loser!

Hip

De eerste indruk van Bali is dat we in een compleet ander land terecht gekomen zijn. Op het vliegveld zien we meer witten dan de afgelopen drie weken bij elkaar. Onderweg naar het hotel valt op dat alles strak in de lak zit en goed onderhouden is, tot de reclameborden aan toe. De hoeveelheid hotels is gigantisch. Rijdend door een winkelstraatje zien we veel toeristen en een winkelaanbod dat daar op aangepast is: hippe koffietentjes, kledingwinkeltjes, surfshops. Ons hotel is groot met meerdere binnentuinen. Het staat vol met beelden van lachende olifanten. Het groen glanst je tegemoet, zelfs het gras. We wandelen nog even naar het strand. Mooie golven. Fel gekleurde zitzakken. Hippe parasolletjes. Lounge muziek. Als we gaan zitten voor een biertje stijgt de gemiddelde leeftijd bij deze strandtent met tenminste 10 jaar. In de verte landt een vliegtuig. En nog een en nog een. Het is wel heel anders dan Sulawesi. Zijn we van authentiek naar toeristisch gegaan?

Een eerste rondje door de stad op de fiets stelt het beeld bij. Er zijn veel toeristen, ook op brommers, en de winkeltjes en horeca die daarbij horen. En het heeft een redelijk hipstergehalte. Maar als je wat verder kijkt staan er ook veel beelden van hindoegoden. Er liggen offers bij, of ze zijn aangekleed met gele doeken. Een vleug wierook geeft aan dat iemand zorg heeft voor de beelden. Op de oprit van huizen liggen kleine offerandes. Als we even een zijweg nemen fietsen we langs de diepgroene rijstvelden, met irrigatie erbij. We worden steeds nieuwsgieriger wat Bali ons gaat brengen!

Sulawesi

Op het vliegveld op weg naar Bali hebben we even tijd om terug te kijken op het eerste stuk van onze reis. Samen gevat: een mooie trip, mooi land, weinig toeristen en lekker warm. Maar natuurlijk is het meer dan dat. 

De mensen zijn aardig en vriendelijk en willen graag communiceren. Maar aangezien wij amper Bahassa spreken en zij weinig Engels wordt het moeilijk. Voetbal is nog steeds een aanknopingspunt, niet meer Cruijf, Gullit of van Basten, maar van Persie, Sneijder en een indonesische jeugdspeler van Telstar? Iedereen heeft een mobiele telefoon en wij zijn zo bijzonder dat iedereen een foto van ons of beter nog, met ons wil. Af en toe voelt het alsof we een zeldzame diersoort zijn, die ineens gespot wordt door een horde toeristen. Bijkomend voordeel is wel dat het ook voor ons gemakkelijk is foto’s van hen te maken. Het land is zo mooi, zo weelderig groen. En dan waren wij er in de droge tijd. Dus minder romantische plaatjes van rijstterrassen dan gedacht, omdat alles geel was en geoogst werd. Onze cultuurtechnische achtergrond hebben we her en der wel lekker kunnen uitleven op de irrigatiesystemen. En er groeit zoveel… Natuurlijk bananen, rijst, koffie en cacao, maar ook pepers, mais, aubergine, papaya, mango, noem maar op. Plus veel van de ons bekende kamerplanten, kantoortuingroen en palmen in alle soorten en maten. 

De route was prima. Al was het prettig geweest als we her en der wat kleinere wegen gehad hadden. Maar eerlijk gezegd betwijfelen we of die er wel zijn en of ze überhaupt  berijdbaar zijn. Waar we onderweg wel over gedacht hebben is hoe prettig het verkeer zou zijn als alle brommers electrisch waren. Daar hoort dan wel een zonnepaneel of wat bij, want het is te betwijfelen of het electriciteitsnet dit trekt. We hebben niet veel toeristen gezien onderweg. Dat heeft natuurlijk ook zijn gevolgen voor de voorzieningen. Het was elke avond weer een verrassing waar en hoe we zouden slapen. We merkten dat we ons steeds minder verbaasden over achterstallig onderhoud, onduidelijke electriciteit en lokale badkamers. 

Buiten Makassar zagen we, op drie andere fietsers na, maar op drie plekken toeristen, in Sengkang, Bira en Toraja. Maar ook daar was het niet echt druk. Eerlijk gezegd was alleen Toraja toeristisch. En wel echt een hoogtepunt. Maar juist op de fiets, als je tempo laag is, is het prettig om op je gemak door het gewone leven te fietsen en rond te kijken. 

En wat zo fijn is, dit traject was pas het begin. We hebben tijd genoeg. We gaan nu naar Bali en Lombok, de volgende etappe. Iedereen zegt dat het daar veel toeristischer is en drukker, we zijn benieuwd. 

Verkeer

Je ziet wel eens van die filmpjes van verkeer van bovenaf, waarin alles en iedereen door elkaar heen krioelt zonder dat het fout gaat. Als je het zo ziet, lijkt het bijzonder. Als je er midden in zit is het meer een wonder. Vandaag reden we het laatste stuk terug naar Makassar. Het werd steeds drukker op de weg, tot het verkeer een grote krioelende stroom was. Het is echt net water, iedereen zoekt een gaatje om door te stromen. Het maakt niet uit of je links of rechts inhaalt, zo lang je maar in beweging blijft. Wat er achter je gebeurt maakt ook niet uit, want de blik is voorwaarts gericht. En da’s nodig ook, want er gebeurt genoeg. Het wemelt van de lichtblauwe busjes. Daar moet je mee opletten, dat is het openbaar vervoer. Dat betekent dat ze op elk willekeurig moment naar links kunnen gaan om te stoppen en een passagier in of uit te laten. Dan is er invoegend verkeer. We hebben geen idee wie er voorrang heeft en we betwijfelen of er iemand is die dat wel weet. Als een auto wil invoegen of afslaan, steekt hij gewoon zijn neus in de gewenste richting en dan buigt het overige verkeer eerst voor langs en vanaf een zeker moment achterlangs. Dat zo’n buitenlander dat niet meteen snapt en op de rem gaat, bevordert de doorstroming niet. Ook brommers die vanaf de stoep invoegen kijken niet achteruit, maar beginnen gewoon langzaam te rijden. Terwijl ze optrekken rijdt iedereen om ze heen en ze voegen zich langzaam in. En gelijk hebben ze, want wachten op een gaatje om in te voegen duurt ten minste een eeuw. En dan is er nog de handel op de stoep, waarvoor elke rijdende voorbijganger zo maar ineens kan stoppen. Of de uitgang van een moskee of kerk met ineens heel veel brommertjes.

Op zondagmorgen op de fiets in de file. Dan klopt er een straatschoffie met guitige ogen, een jaar of 15, op mijn arm. Hij kijkt me aan en zegt ‘money, money’ en begint tegelijkertijd mijn tassen te onderzoeken. Het verkeer komt weer in beweging en ik rij 10 meter door en sta weer stil. Hetzelfde jochie tikt weer op mijn arm. Ik kijk hem lachend aan met een blik dat hij van mijn spullen af moet blijven. Ik krijg een blik terug van herkenning. Lachend steekt hij z’n hand op voor een high five. Klets. Die heb ik lekker geraakt, denk ik. Het jochie steekt nogmaals zijn hand op, bedenkt zich en loopt lachend weg. Ik rij lachend door.

De afgelopen weken heb ik wel wat geleerd. De beste manier om hier doorheen te fietsen is gewoon met een grote grijns met de stroom meebewegen en je vooral geen zorgen maken. Als er wordt getoeterd, zal het wel zijn omdat ze een fietser bijzonder vinden en anders weet ik het ook niet. Voor me zie ik Carry boven iedereen uitsteken en ik hoop dat we de goede weg hebben, maar och, iedereen gaat deze kant uit, dus het zal wel.

Feestje

We zaten op de veranda van de wisma te wachten op het avondeten, tenminste dat dachten we. Maar dat hadden we niet helemaal goed begrepen. De dochter des huizes vertelde dat we waren uitgenodigd voor de bruiloft van de zoon. Zelfs in onze toeristenoutfit waren we welkom. We mochten meerijden met de vader van de bruidegom. Ter plaatse bleek dat dit nog niet de bruiloft was maar de ‘vrijgezellenavond’ waar alle familieleden kwamen eten. Wij waren ere-gasten en werden verzocht ons te goed te doen aan al het lekkers. Natuurlijk werden er veel foto’s van ons met iedereen gemaakt. De zoon des huizes was traditioneel en erg mooi aangekleed met veel rood en goud. Gaaf om erbij te zijn, maar tegelijkertijd ook een beetje ongemakkelijk, want uiteindelijk snapten we niets van hetgeen er gebeurde of van wat er van ons werd verwacht.

Vandaag weer lekker gefietst. Eerst een aantal pittige hellingen, daarna een vlak stuk door een dal. Zelfs wind mee, wat een feest. En steeds weer waanzinnig mooie uitzichten. Dat werd nog beter toen we park Bantimurung binnen fietsten. Geen apen gezien, alleen een bordje dat we ze niet mogen voeren. Maar de natuur was fantastisch, uitbundig groen en groot en hoog. De weg was smal, tussen de rotsen door. Het was af en toe druk met auto’s, in van die lange rijen achter de langzaamste vrachtwagen. Als die auto’s dan gaan inhalen, voel je je als fietser toch wel een kleintje. 

Het park Batimurung heeft een officieel bezoekersdeel. Dit is een aantal jaren geleden aangelegd, dus nu op een aantal plaatsen al weer half vergaan. We zitten in een dependance van het nieuwe hotel. Daar hadden we wel wat hulp bij nodig. Eerst zei het hotel dat er geen plaats was. Toen ging een local zich er mee bemoeien en bleek er toch plek in de dependance. Ook het park zelf binnenkomen vereiste wat hulp om de wel bizar hoge entree voor buitenlanders te omzeilen. Bezoekers komen naar het park om zijn druipsteengrotten en watervallen. Van de watervallen hebben ze een soort van super openluchtzwembad gemaakt. Van de vlinders waar het park beroemd mee is geworden zijn inmiddels 150 van de 230 soorten verdwenen, maar je kunt ze nog wel opgeprikt en wel kopen.

Ondertussen zitten we achter onze kamer op het terras en luisteren we naar de krekels en zingende studenten, die een beschaafd feestje bouwen. De studenten komen allemaal van Ambon en studeren in Makassar. Engels spreken ze bijna niet. Een gesprek leidt dan ook tot veel hilariteit en gelach.

Vrijdag

Een selfie bij vertrek, daar zijn we inmiddels aan gewend, maar een compleet defilé was toch een verrassing. De vierdaagse, of iets vergelijkbaars, kwam langs ons hotel. Met een vergrlijkbare opkomst als de avondvierdaagse bij ons. Het waren er duizenden in alle leeftijden.Wat een pret. Het was maar goed dat we de fiets al klaar hadden staan, anders waren we op het balkon gaan staan zwaaien. Het effect van onze aanwezigheid blijft waanzinnig. Dan zegt een van die kleintjes ‘good morning’. Zeg je ‘good morning’ terug. Komt er prompt een koor van wel 20 scholieren die tegelijk ‘good morning’ roepen. Of zo’n hele groep pubers die spontaan begint te zwaaien en te giechelen als ze je zien. Je kan niet anders dan je dag stralend beginnen.

Het was een mooie fietsdag vandaag, over een relatief rustige weg. Veel groen langs de weg, en rijstvelden omzoomd door bananen en palmbomen, echt Indonesië zoals je het van de plaatjes kent. We zijn hier weer in Buginees gebied, met huizen op palen. De dorpen zien er goed verzorgd uit. Het lijkt erop dat elke dessa zijn eigen kleurcombinatie heeft afgesproken, voor de hekken, de paaltjes langs de weg en de autobanden met bloemen. Vaak is dat geel/groen, groen als kleur van de islam en goud als kleur van het paradijs, of rood/wit, de kleuren van de Indonesische vlag. Maar ook blauw/wit en blauw/oranje. Dit laatste levert, in combinatie met de Indonesische vlag, voor ons dan weer heel bekende plaatjes op. 

Het was warm, zó warm dat je zelfs blij bent met tegenwind. Dat werd dus een stop rond half 1, omdat bij 42 graden fietsen niet meer zo leuk is. We hielden halt bij een winkeltje met een soort losse veranda ervoor. Er zat één meisje. Toen kwam er een jongen bij, die wat Engels sprak en naar onze reis vroeg. Langzaamaan drupten er meer mensen binnen, en gonsde het over sepeda (fiets) en Toraja. Duidelijk is dat iedereen dat een hele afstand vindt, iets waar je sterk voor moet zijn. Dat levert een boel opgestoken duimen op. Toen wilde iedereen een foto. En daar zit je dan met je bezwete kop en natte zweetharen. Het maakt niet uit, wij worden geposeerd en zij komen een voor een tussen ons inzitten. Zeven stuks en een veelvoud aan foto’s. Het giechelend commentaar van de meiden werd enigszins vertaald, dus nu weten we het, het is Carry’s neus die grote indruk maakt. Toen Carry erna nog even wat te drinken ging halen, wilde een van de meiden nog alleen met mij op de foto. Met een voorzichtig gebaar polste ze of er een arm om me heen mocht, en ze zat letterlijk te trappelen van genoegen toen ze daar een selfie van maakte.  
Toen nog 240 hoogtemeters in de laatste 10 kilometer. Pittig. Gelukkig was de temperatuur gedaald tot 37 graden. Ons eindpunt van vandaag is een Buginese villa, met een homestay. In dit geval: een mooie kamer met een hemelbed en een planken vloer, die maakt dat wij Europeanen als olifanten klinken. Een badkamer met alleen een mandi, maar wel met warm en koud  water. Een veranda met een licht briesje, een schitterend uitzicht en een koe met alpenbel in de voortuin, die net naast de fietsen staat te scheiten. Nu alleen nog een antwoord vinden op de luxe vraag of we hier een of twee nachten blijven. 

Dalen

Lekker gefietst vandaag. Lekker makkelijk, berg af. Het eerste deel nog wat omhoog met fantastisch uitzicht over de dalen langs de weg. Daarna het gebied van de Toraja uit. Prompt veel meer moskeëen, meisjes met hoofddoeken als deel van het schooluniform en geen honden meer. 

We stopten even om water te kopen en kwamen langs wat kippen die er zaten. Dat hadden we misschien beter niet kunnen doen. Twee mannen waren bezig met een schilmesje een kip te slachten. Als het bewegen wat minder werd werden ze in een bak gegooid en hup de volgende, terwijl die bak nog wat na bewoog van de laatste stuiptrekkingen. 

Dan staat er een koe aan een touw in de berm. Die schrok zo van die twee witten, dat ze niet meer wist waarheen te gaan. Uiteindelijk dook het achterstevoren het hoge talud op.  Een stukje verderop kwamen we zomaar twee Nederlandse fietsers, Saskia en André, tegen. Zij doen hetzelfde rondje als wij, maar dan tegengesteld. Grappig om even samen te praten en ervaringen te delen. Ze vertelden dat ze al vaker en ook langere tijd in Azie gefietst hebben en vonden de wegen ook wel druk hier. Natuurlijk nog even een foto met alle fietsen. 

Toen begon het grote naar beneden fietsen. Heerlijk. Af en toe een klein scherp stukje omhoog en dan weer zoef, met de benen stil. Lunch op een plek met een fantastisch panoramauitzicht. Maar wie schetst dan je verbazing als na afloop van het eten alle afval, inclusief plastic flessen, hup over de reling naar beneden gekieperd worden. 

De afdaling liep maar door. Ik zat me vooral te verbazen dat we dit ook allemaal omhoog gefietst hadden. Bij aankomst in Sengkang had Carry een hotel uitgezocht. De tip uit het boekje had 3 sterren op Google, Carry’s vondst 4 sterren. Eigenlijk hadden we al gewaarschuwd moeten zijn, de warung met 5 sterren waar we gisteren geluncht hadden, had keuze uit nasi goreng en nasi goreng en verder niets. Overigens wel lekker, maar toch. Dus nu zitten we in hotel Rahmad. In een zanderige achterafstraat, langs de buitenkeuken, door de huiskamer van de familie naar een kamer met balkon en airco en uitzicht over de rivier. Alles aftands en geimproviseerd. Een stilstaande klok, een smoezelige stekkerdoos, een kast uit de vorige eeuw.  En een bed zonder dekens, geen handdoeken en een echt lokale badkamer, dus alleen een mandi en hurktoilet, maar wel koud stromend water en de stukken zeep van de vorige gasten.