De buurman zei het gisteren al, ‘dit overkomt altijd anderen’. Nu zitten we er zelf midden in. Als we wakker worden staat het water op hetzelfde niveau als gisteren. Aan de huizen zien we dat het vannacht weer veel hoger heeft gestaan maar nu daalt het langzaam. In de nacht is het raam van het gerestaureerde huis uit 1667 eruit geslagen. We zien het water met geweld het huis in stromen.

We vragen ons af wat het gaat worden vandaag, we hebben vijf koekjes en twee bidons water. Het enige bericht van buiten is een Frans BE-Alert dat ons maant thuis te werken en de wegen vrij te houden voor hulpdiensten. Dan wordt er geklopt, de eigenaar en zijn dochter gaan vertrekken naar hun zoon. Wij blijven hier, we krijgen hun flessen water. Het is buiten nog steeds slecht begaanbaar, op de binnenplaats staat het water meer dan kniehoog. Als het wat verder zakt, waagt Carry zich naar de garage van onze fietsen. Deze is compleet gebarricadeerd door een auto. De fietsen liggen er ergens achter. Ze zien er niet slecht uit, maar hoe krijgen we ze eruit?

We zien politie langs lopen. Vanuit het raam overleggen we. De conclusie is dat we liever hier blijven dan naar een sporthal gaan. Ze brengen ons brood. Daarmee kunnen we het tot morgen uithouden. Ze waarschuwen dat het water weer gaat stijgen. We wachten het af. De dame die boven ons woont loopt voorzichtig de trap af. In haar ene tas zit een hondje, haar andere tas kan ze amper tillen. We helpen haar naar beneden. Ze gaat mee met de agenten. Langzaamaan zijn we de enigen die hier overblijven.

Het water zakt verder en er wandelen steeds meer mensen langs. We gaan samen proberen om onze fietsen eruit te krijgen. Het water is koud en stinkt naar benzine. Onze voeten zakken tot over de enkels in de modder. Carry klimt over de auto’s naar binnen. De fietsen liggen in de modder. We sleuren ze een voor een naar buiten. In een diepe plas spoelen we de meeste rotzooi eraf. Het lijkt of ze ongeschonden zijn. Alleen de helm, die aan mijn stuur hing, is weg. Voorlopig staan de fietsen bij ons in de hal. Morgen gaan we zien hoe het verder gaat.

En voor wie meer wil weten, inmiddels heeft ook RTL ons gevonden:















Nu rijden we echt in Salland. De borden voor de boerderij melden dat Salland bewust boert en eet. Ik vraag me af of ik de enige ben die dit een vreemde uitspraak vindt.
Voor koffie komen we uiteindelijk terecht op een terras bij wat eruit ziet als een grote stal. Misschien is het zo ooit begonnen, nu is het volgens de ANWB een van de leukste uitjes van Nederland. De Flierefluiter is een soort van speelparadijs voor 5 tot 7 jarigen. Ik waag me alleen even naar binnen om koffie voor ons te halen. In mijn fietskleding val ik heerlijk uit de toon.
We fietsen naar het westen. Daar is de lucht blauw. Hier is het nog grijs. We trappen op ons gemak. Het druppelt, maar gelukkig valt de regen mee. We zien geen leuk terras, dus stoppen we bij de bakker. Als we voor de winkel met ons taartje staan te knoeien worden we aangesproken door een oudere man. Als hij hoort wat we gefietst hebben is hij onder de indruk. En eigenlijk vinden we het zelf ook wel bijzonder, als we het zo op een rijtje zetten.
Als we doorfietsen staat er langs het pad ineens een bordje fietspad. Wat een tegenvaller. Geen bord ‘welkom in Nederland’, niets. Gelukkig blijkt dit een soort van illegaal bordje te zijn want iets verder op staat wel een grenspaal. Al sinds 1773 ligt hier de overgang Duitsland-Nederland.
Nu zijn we echt in Nederland en daarmee ook meteen in het werkgebied van Carry. We fietsen van het Witte Veen naar het Haaksbergerveen en het Buurserzand. Wat opvalt is, hoe droog de natuur is aan de ene kant van de weg en hoe hoog de mais staat aan de andere kant. Hiermee is de problematiek van het gebied in één keer helemaal helder. 
We stoppen in Munster. Dit is zo’n stad die bekend klinkt, zonder dat we de historie kennen. Google helpt. Natuurlijk is het een hanzestad. Hier is ook in 1648 de vrede van Munster getekend, het einde van de 80-jarige oorlog. Voor de Groningers onder ons Munster is ook de stad van Bommen Berend – de bisschop van de stad. Wat ons nu vooral opvalt is dat ook deze stad volledig in oude stijl herbouwd is na de vernietiging door geallieerde bombardementen. 
En dan fietsen we door de Vechtestrasse. Hier moet dus ergens het begin van de Vecht zijn. We kronkelen door wat straatjes. Dan staat er een bord met uitleg. Er zijn geen bronnen van de Vecht. Het zijn twee beekjes, de Rokeler Bach en de Burloer Bach, die samen vloeien. Nog steeds is het begin van de Vecht niet meer dan een beek van een meter of 2. Tegen de tijd dat de Vecht bij ons in Zwolle in het Zwarte Water uitmondt is hij bijna 50 meter breed en nog altijd de kleinste rivier van Nederland. Dan zijn we 225 kilometer verder. Dat is niet de route die we gaan volgen, wij kiezen een kortere variant. 
De route kabbelt door. We rijden door stadjes, door bos en af en toe een stukje langs de grote weg. Ik vind het moeilijk afwisseling te zien. Ik vraag me af of dat aan Duitsland ligt of aan de route? Is deze route zo gericht op hanzesteden dat de auteur de rest van het landschap vergeet? Of is dit zen en de kunst van het lange afstandsfietsen? Het is comfortabel allemaal, maar niet verrassend.
Toch zien we in de loop van de middag verschil. De bouwstijl van de boerderijen verandert. We zien tussen alle mais aspergevelden. We maken weer eens een mooi verhaal over de groeiwijze van asperges.
We rijden Noordrijn-Westfalen binnen. Op het bordje van de grens profileren ze zich als fietsvriendelijk. Prompt loopt er een mooi fietspad langs de Ems. We komen in Warendorf. De terrassen op het kerkplein zitten vol. De kerkklok maant ‘Nütz die Zeit’. Dat doen we, we landen op een trekkersveldje en blijven nog een dagje. 