De stops in onze route worden bepaald door de ligging van de campings. Onze volgende camping ligt op zo’n 50 kilometer, die erna op 80. Er tussen ligt niets. We doen stoer en zien de 50 kilometer van vandaag als een rustdag. 
Het eerste stuk van de route voelt als een experiment van de betonfabriek. De betonplaten hebben alle mogelijke vormen en liggen in alle mogelijke patronen. Gelukkig heeft de plaatselijke afdeling onderhoud door dat het niet allemaal fietsbaar is en ligt in het midden ook een smal strookje asfalt. Het is een kniesoor die dan opmerkt dat dit strookje inmiddels ook wel wat onderhoud behoeft.

Tijd genoeg, dus we zitten op ons gemak met koffie bij de bakker in Anklam. De oudere dames, met mondkapje, staan hier niet in de rij voor een gebakje, maar voor de lunch. De bakker lijkt een soort gaarkeuken te hebben waar je voor vijf euro een warme lunch kunt eten.

Voorbij Anklam zien we het eerste bordje van de Radweg Berlin-Usedom. Meteen neemt het aantal fietsers toe. Het zijn niet alleen 50-plussers die dit traject fietsen, ook jongeren. De generatiekloof lijkt vooral in de aandrijving van de fiets te zitten. Het is een mooi gebied waar we doorheen fietsen, stroomvlaktes van de Peene en de Stettiner Haff, een soort waddengebied. Aan de dode bomen te zien staat het water nog niet lang zo hoog. Het barst van de vogels. Ook hier zien we kraanvogels.
Tegen de tijd dat we bij de camping zijn is het 3 uur. De receptie is weer open na hun middagdutje. We draaien een wasje en besluiten een dagje extra te blijven. De eerste 1000 kilometer zitten erop.

Tegenover ons staan drie fietsers. Ze zien eruit als bikers. Zo ziet ook hun fiets eruit, met een wijd stuur en alles breed bepakt. De reden dat ze fietsen en niet brommen zit achterop de fiets, een klein blond fluffy keffertje in een rieten mandje. Een van de drie heeft het moeilijk. We zien zijn tent schudden en rommelen en steeds maar weer horen we Verdammt en Scheise. Theater bij het ontbijt.






Onze camping heeft een heel bijzondere anti-corona maatregel: In de nacht wordt het toiletgebouw gesloten. Ik betwijfel of het helpt tegen corona, ik verwacht eerder een golf van blaasontstekingen.



Gisteren zijn we de denkbeeldige grens van de voormalige DDR overgestoken. Prompt liet internet ons in de steek. We vragen ons af of het toevallig is of dat hier voorzieningen tóch achterlopen. Met het fietsen in oost is de wind overigens gedraaid, die waait nu ook oost. Zo langs de kust valt dat niet mee.
Onze eerste stop is Wismar. Ook dit is een mooi onderhouden hanzestad. De bouwstijl en de indeling van de straten lijkt op thuis, in Zwolle. Van hieraf buigt onze route af van de Ost-Seeküsten-Radweg. Reden hiervoor is dat deze route erg druk is. Dat hebben we gisteren gezien, veel electrische fietsen en mountainbikes en af en toe een vakantiefietser.
Dus we slaan af, het binnenland in. De route is mooi, maar pittig. Flinke stukken zijn onverhard, met dikke gravel en af en toe rul zand. Tijd voor een tegeltjeswijsheid. Ik twijfel nog tussen ‘niet alles wat je kunt fietsen is een fietsroute’ en ‘de slechtse wegen geven de mooiste uitzichten’. 

Het is een fantastisch fietspad, met rechts golvende gele graanakkers en links steeds tussen de bomen de zee. En de zon schijnt. Het landschap glooit en het fietspad glooit mee, met af en toe uitschieters naar 13%.
Het plan voor vandaag is een camping en de stad Wismar. Die combinatie bestaat niet. Ondanks alle toerisme langs de kust zijn er niet veel campings. We landen uiteindelijk op een door de ANWB goedgekeurde, veel te grote camping, maar wel met zon en zee.

Als we weer buiten komen is het weer omgeslagen. De lucht is blauw, het is zonnig en de jasjes kunnen weer uit. We fietsen langs de Trave. Op de app wordt die vergeleken met ons Almeloos kanaal, maar onze beleving is anders.
Het landschap begint wat te glooien, het graan glanst in de zon, hier wordt een mens blij van. We passeren wat dorpjes. Zo rond een uur of een zien we vanuit een ooghoek twee tandems bij een speeltuin, onze campingburen hebben lunchpauze met speeltijd voor de kinderen.
Het laatste stuk rijden we langs het kanaal Elbe-Lübeck. Het is een mooi smal onverhard fietspad. Bij elke brug is het weer de verrassing hoe het er om de bocht eruit ziet. Zo rijden we Lübeck binnen. Ooit was dit een belangrijke hanzestad. Voor ons is het het eind van het eerste fietsboekje, en daarmee een memorabel punt. 
We beginnen vandaag met een ritje door de uiterwaarden van de Elbe. De zon schijnt en we hebben windkracht 4 in de rug. Het is klassiek rivierenlandschap, met links van ons de Elbe en rechts achter de dijk appelboomgaarden. 
Het duurt even voor we weer een goed fietsritme hebben. De route is kruip-door-sluip-door en even lekker doortrappen zit er niet in. Deze deelstaat houdt bovendien van karrespoor-fietspaden, bestaande uit twee smalle streepjes beton. Dit betekent goed opletten waar je rijdt.
Het waait flink, we hebben de wind aardig in de rug, maar het is echt fris. Na de boodschappen twijfelen we even, maar we gaan toch lekker kamperen. Onze buren op de camping zijn ook fietsers, maar iets anders dan wij. Zij fietsen op twee tandems met twee jongetjes van 6 en 4 voorop. Als we aankomen zijn zij aan het koken. Ze hebben zoveel te veel dat we mee mogen eten. Een gezellig alternatief voor vijf kilometer fietsen naar het dichtstbijzijnde restaurant of ons noodrantsoen van Bever. 
Met de regenjas aan fietsen we door het Schnoor en langs het stadspark Bremen uit. Het eerste stuk van de route gaat langs de Wörpe, een klein riviertje. We rijden over de dijk, of beter gezegd het dijkje, dat er naast ligt. De zon schijnt, alles is mooi groen, zo hoort een fietsdag er uit te zien. 





