Vanaf de Kalterer See volgen we opnieuw de Etsch. We zijn niet de enigen. Zo in het weekend zwermen ook de Italianen uit over de fietspaden. Het is duidelijk dat wielrennen een serieuse zaak is. Iedereen zit picobello op de fiets, òf volledig in de kleuren van een team tot de sokken aan toe òf in zwart en wit volgens de laatste mode van Castelli. Langzaamaan verlaten we Zuid Tirol en nu heet de rivier in het Italiaans Ádige. De rivier is recht, het fietspad ook. We dalen langzaamaan. De bergen worden wat ronder, wat lager en het dal wordt breder. Er staan nog appels maar de bebouwing neemt toe. We fietsen soepel door, maar het voelt alsof we zo de vakantie uit fietsen. 
Maar dan komt Trento. De eerste echt Italiaanse stad. We nemen de afslag het centrum in en rijden recht op de Duomo af. Wat een feest, zo mooi. Ook de Piazza Duomo ernaast is fantastisch, omringd door huizen die nog deels met fresco’s beschilderd zijn en met in het midden de Neptunusfontein. Hier wil mijn fiets wel even staan. 
In Trento buigt onze route af van de route naar Rome. We beginnen prompt met een fikse klim, 14%. De 6 kilometer erna blijft de route heftig, met percentages tussen 6 en 14%. Het is warm vanmiddag en de meningen zijn verdeeld of deze klim nu wel of niet heftiger is dan de hellingen die we in de Alpen gehad hebben. 
Het laatste stuk fietsen we langs het Lago di Caldenazzo. Het is zondagmiddagdruk op alle strandjes en op het riante fietspad. Het is duidelijk hoogseizoen. Een van de vele campings aan het meer heeft nog een camperplek voor ons, groot en ruim tussen alle caravans en campers. We leren weer iets nieuws over kamperen in Italië, je neemt altijd je ochtendjas mee en die kun je op elk willekeurig moment van de dag aan. ![]()
Ons verblijf bij de druiven werd vanochtend wreed verstoord door een mannetje met een trekker en een sproeier die de druiven ‘vitaminen en nog iets’ kwam geven. Verjaagd uit het paradijs fietsen we via Merano naar Lana, de appelhoofdstad van Europa. 1% van alle Europese appels wordt geplukt in deze gemeente. Dachten we gisteren dat we veel appels gezien hadden, vandaag zijn het er nog veel meer. Kilometerslang fietsen we door appelboomgaarden. De bomen hangen vol met appels in alle variaties groen en rood. Ze worden nog flink besproeid, en wij dus ook. Gelukkig niet met vitaminen, maar met gewoon water.













Van hier gaat het naar beneden. We zoeven langs de Haidersee. Het is een gave route, vol kwetterende Italianen op mountainbikes. In Mals zijn we toevallig precies op tijd om de uitleg mee te pikken van de 9e eeuwse fresco’s van de San Benediktkirche. We laten onze fietsen voor de kerk staan. Ontroerend, zo’n klein oud kerkje met zulke mooie schilderingen (vietato fotografare). Als we buiten komen vinden we onze fietsen in Fries gezelschap. Samen fietsen we de laatste kilometers. 





Het laatste stukje omhoog naar de camping is pittig. Met een knalrode kop rijden we het terrein op. We worden begroet door een groepje Nederlanders die voor hun tent zitten. Ik denk dat Carry een grapje maakt als hij meldt dat de plek voor onze tent vol in de zon ligt, maar helaas. Het is echt zo. Daar moeten we het mee doen deze keer. Het uitzicht maakt veel goed. De buren ook. Links van ons staan de fietsers uit Sliedrecht die we bij de grens tegen kwamen. Rechts staan de eigenaren van de fietsen uit Augsburg. 






Er komt nog één flinke helling, met een stuk tot 12%. Hier is de weg ook drukker. Sommige auto’s lijken te vergeten dat er een caravan achter hangt, die breder is dan de auto, en ze scheuren rakelings langs ons heen. Steil en met veel stenen biedt de berm weinig uitwijkmogelijkheden, in jargon van de provincie Overijssel is deze berm weinig vergevingsgezind voor stuurfouten. Garmin geeft aan wat het hoogste punt is, iets voorbij het kruisbeeld, maar in de berm ontbreekt elke aanduiding. Daar kunnen ze hier in Oostenrijk waarschijnlijk niet aan beginnen. Maar voor ons is het een mijlpaal, de Buchener Höhe op 1256 meter. Van hier dalen we af naar het dal van de Inn. We doen vlug even een jasje aan tegen de frisse wind tijdens de afdaling. We gaan de bocht door, onze snelheid neemt toe en daar ligt ineens in de volle breedte het dal. Wat een spektakel! Weids en prachtig. En wij zoeven naar beneden, over een helling van 9-10% over 7 kilometer. Met pijn in de handen van het knijpen in de remmen.
Hoe mooi de locatie ook is, de camping is niet zo fijn dat we hier een extra dag willen blijven. We zijn vroeg wakker en beginnen de dag met de broodjes die over zijn van de lunch van gisteren. Om 8 uur zitten we op de fiets. De eerste kilometers langs de Ammersee zijn rustig. De meeste toeristen slapen nog. Af en toe komen we een vroege fietser tegen. Hier ergens passeren we onze 1000 kilometerstand. Als de weg een beetje draait zien we in de verte al de Alpen, wazig en nog heel ver weg. Daar gaan we heen vandaag. 



De bergen om ons heen worden ruiger, de toppen kaal. Na ruim 90 kilometer is daar de geplande camping. Het is zo mooi als we gedacht hadden, met veel bosschages en aan het water. Maar we hadden niet gedacht aan het hoogseizoen. Wat kunnen er veel mensen op een camping. Wat een drukte. Oké, dat is goed voor één nacht, meer niet. 
Hoe de stad uit te komen blijft altijd een avontuur. Gelukkig heeft Carry de route op maat gemaakt en op de Garmin gezet. Dat maakt de weg vinden makkelijker, maar het fietspad vinden is een ander verhaal. Eerlijk gezegd snap ik er niets van, soms moet je op het voetpad, soms is er een tweebaansfietspad aan de overkant van de weg en soms fiets je gewoon tussen de auto’s. Wijzende mensen sturen ons bij en soms zijn we gewoon even lekker eigenwijs. Verder de stad uit fietsen we over de stuwdam, langs de kanobaan van de Olympische Spelen van 1972 en vervolgens langs de Lech. Nee, niet het vakantieskidorp van onze Lex en Maxima, maar een lokaal riviertje. 







