De camping ligt nog in de schaduw van de bergen als we wakker worden. Het is koud op 1000 meter hoogte. Carry vindt zelfs zijn lange broek. Ik merk dat ik een beetje gespannen ben, vandaag gaan we het hoogste punt over. Met de wind tegen gaan we al na een paar kilometer het land uit. Een paar halfopen tunnels later passeren we de Zwitserse douane. Het is een formaliteit, meteen erna nemen we de afslag en rijden we Oostenrijk weer in. Hier begint de klim van vandaag, nu gaan we echt de Alpen over, haarspelbochten naar boven. In de eerste bocht een bordje, 10. Dat is duidelijk, nog negen te gaan. Het is een kwestie van doorbijten en aftellen. En natuurlijk af en toe om je heen kijken.
Het is rustig op de weg. Alleen een paar mountainbikers halen ons in, ze maken een opmerking over de hoeveelheid bagage. We vorderen gestaag. Daar is de bocht met de 1 en meteen een restaurant. Helaas hebben ze Ruhetag. Ook zonder koffie is het fantastisch hier boven te zijn, op 1405 meter. Hier staat wel een bordje om dit punt te markeren. 
Dit is nog niet de Reschenpas naar Italië. Daarvoor gaan we eerst omlaag naar Nauders en dan door een fantastisch dal gestaag weer omhoog. 
We fietsen het laatste stukje tot de grens langs de autoweg. Daar zien we ook het bordje Reschenpas, als fietser moeten we nog nét wat hoger tot 1515 meter. En dan ligt daar de Reschensee, Italië. Het is ons gelukt, we zijn in Italië!
Het meer is turquoise. De verdronken toren van Graun ligt in de verte. En wat een fantastisch fietspad door het bos aan de rand van het meer, dat hadden we van Italië niet verwacht. Het is af en toe wat steil, maar zó mooi. In de verte zien we de sneeuwtoppen van het Ortlermassief.
Van hier gaat het naar beneden. We zoeven langs de Haidersee. Het is een gave route, vol kwetterende Italianen op mountainbikes. In Mals zijn we toevallig precies op tijd om de uitleg mee te pikken van de 9e eeuwse fresco’s van de San Benediktkirche. We laten onze fietsen voor de kerk staan. Ontroerend, zo’n klein oud kerkje met zulke mooie schilderingen (vietato fotografare). Als we buiten komen vinden we onze fietsen in Fries gezelschap. Samen fietsen we de laatste kilometers. 





Het laatste stukje omhoog naar de camping is pittig. Met een knalrode kop rijden we het terrein op. We worden begroet door een groepje Nederlanders die voor hun tent zitten. Ik denk dat Carry een grapje maakt als hij meldt dat de plek voor onze tent vol in de zon ligt, maar helaas. Het is echt zo. Daar moeten we het mee doen deze keer. Het uitzicht maakt veel goed. De buren ook. Links van ons staan de fietsers uit Sliedrecht die we bij de grens tegen kwamen. Rechts staan de eigenaren van de fietsen uit Augsburg. 






Er komt nog één flinke helling, met een stuk tot 12%. Hier is de weg ook drukker. Sommige auto’s lijken te vergeten dat er een caravan achter hangt, die breder is dan de auto, en ze scheuren rakelings langs ons heen. Steil en met veel stenen biedt de berm weinig uitwijkmogelijkheden, in jargon van de provincie Overijssel is deze berm weinig vergevingsgezind voor stuurfouten. Garmin geeft aan wat het hoogste punt is, iets voorbij het kruisbeeld, maar in de berm ontbreekt elke aanduiding. Daar kunnen ze hier in Oostenrijk waarschijnlijk niet aan beginnen. Maar voor ons is het een mijlpaal, de Buchener Höhe op 1256 meter. Van hier dalen we af naar het dal van de Inn. We doen vlug even een jasje aan tegen de frisse wind tijdens de afdaling. We gaan de bocht door, onze snelheid neemt toe en daar ligt ineens in de volle breedte het dal. Wat een spektakel! Weids en prachtig. En wij zoeven naar beneden, over een helling van 9-10% over 7 kilometer. Met pijn in de handen van het knijpen in de remmen.
Hoe mooi de locatie ook is, de camping is niet zo fijn dat we hier een extra dag willen blijven. We zijn vroeg wakker en beginnen de dag met de broodjes die over zijn van de lunch van gisteren. Om 8 uur zitten we op de fiets. De eerste kilometers langs de Ammersee zijn rustig. De meeste toeristen slapen nog. Af en toe komen we een vroege fietser tegen. Hier ergens passeren we onze 1000 kilometerstand. Als de weg een beetje draait zien we in de verte al de Alpen, wazig en nog heel ver weg. Daar gaan we heen vandaag. 



De bergen om ons heen worden ruiger, de toppen kaal. Na ruim 90 kilometer is daar de geplande camping. Het is zo mooi als we gedacht hadden, met veel bosschages en aan het water. Maar we hadden niet gedacht aan het hoogseizoen. Wat kunnen er veel mensen op een camping. Wat een drukte. Oké, dat is goed voor één nacht, meer niet. 
Hoe de stad uit te komen blijft altijd een avontuur. Gelukkig heeft Carry de route op maat gemaakt en op de Garmin gezet. Dat maakt de weg vinden makkelijker, maar het fietspad vinden is een ander verhaal. Eerlijk gezegd snap ik er niets van, soms moet je op het voetpad, soms is er een tweebaansfietspad aan de overkant van de weg en soms fiets je gewoon tussen de auto’s. Wijzende mensen sturen ons bij en soms zijn we gewoon even lekker eigenwijs. Verder de stad uit fietsen we over de stuwdam, langs de kanobaan van de Olympische Spelen van 1972 en vervolgens langs de Lech. Nee, niet het vakantieskidorp van onze Lex en Maxima, maar een lokaal riviertje. 








Wat verderop zien we aan de overkant van het dal een kasteel staan. We wijzen, het ziet er mooi uit. Dan buigt de route, kronkelt wat, en hup, daar zitten we op de weg naar boven. Een flinke klim. Het kasteel zien we van heel dichtbij. Met deze klim gaan we meteen over de waterscheiding heen, van nu af aan stromen onze zweetdruppels niet meer naar de Noordzee, maar richting Zwarte Zee. 

Langs de spoorlijn gaan we verder. Zo’n railtraject is soepel fietsen. Langzaam dalen we naar de Donau. Dat klinkt serieus, zo voelt het ook, ergens vandaag zijn we over de helft van de afstand naar Venetië gegaan. Het laatste stukje valt me niet mee, ik heb last van de hitte, 36 graden. We maken een omweg op zoek naar een bouwmarkt. Iemand hier heeft bedacht dat camping gaz alleen bij bouwmarkten te koop is. Het was wat vragen en zoeken voor we daar achter kwamen.
Het trekkersveldje van de camping waar we terecht komen, is klein en heeft weinig schaduw. Het grenst wel aan de Biergarten. We mogen zelf een plekje zoeken. In de schaduw is het al behoorlijk vol. We installeren ons tussen de schommel en een speelbootje. De Friezen die we eerder tegen kwamen, staan een stukje verderop. We eten samen op het terras. Ondertussen vult het veldje zich met fietsers en hun tentjes. Onze route kruist de Donaufietsroute, dat verklaart de drukte. Het is wel duidelijk dat de gemiddelde leeftijd van de Donaufietser een stuk lager is dan die van de fietsers langs de Rijn. Aan het eind van de avond is het veldje vol als bij Lowlands op de eerste avond. 



Zo’n fietsroute is ook goed voor onze aardrijkskunde, vooral topografie. De route voert nu naar de Neckar, een van de zijrivieren van de Rijn en naar Heidelberg. Voor ons een goede plek om met Gorgias en Elmy de toerist uit te hangen. Heidelberg is een mooie, oude stad. Eind zeventiende eeuw is ze twee keer veroverd en verwoesd door Fransen en daarna weer ogebouwd. In de tweede wereldoorlog is ze behouden omdat de Amerikanen haar al aangewezen hadden als hun toekomstig hoofdkwartier. Een stad waar ook de basis ligt van de Heidelbergse catechismus en waar het eigenlijk te warm was om veel te doen.
We peddelen lekker door. De hoeveelheid tegenliggers is veel minder dan bij de Rijn. Wel komen we af en toe een zaterdagochtend-senioren-fietsclub tegen. Een keurig rijtje fietsers, allemaal beetje angstig kijkend, krampachtig sturend, met voorop een ferm type met een geel hes aan. Ze stralen een soort van opluchting uit als het hen lukt ons onbeschadigd te passeren. Dat levert weinig problemen op want de meeste paden, verhard en half verhard, zijn breed genoeg.