Gisterenochtend hebben we afscheid genomen van onze Friese medefietsers, zij fietsten al door, wij bleven nog een dagje. 
Vanochtend vertrokken wij ook. Iets later dan gedacht, maar toen konden we wel droog inpakken (en had Carry ook zijn leesbril gered uit de al ingepakte tent). De tocht van vandaag voert langs de Etsch, en voor de eerste keer deze vakantie volgen we een rivier stroomafwaarts. Het fietst erg soepel, niet alleen omdat we dalen, ook de waanzinnige kwaliteit van het fietspad, breed, mooi asfalt en heerlijk door het bos. De afslag naar de Stelvio, 42 bochten naar boven, slaan we over, we nemen de afslag richting Stelvio park. Deze streek is volledig tweetalig en misschien zouden we toch de Duitse naam van de Stelvio moeten gebruiken, Stilfserjoch klinkt zoveel mooier. Overigens graven ze de berg ondertussen langzaam af, want hier komt ook mooi wit marmer vandaan. 
Langzaam fietsen we ook de streek van de appelteelt in. De Betuwe is er niets bij. We zien appelbomen zo ver het oog reikt. Uitleg op een bordje vertelt nog eens van Eva, de appel en het paradijs. Om in die sfeer te blijven, wordt het daarna kermis in de hel, de zon breekt door, maar met een regenbui.

Kerkbezoek maakt een einde aan deze kermis. Het St. Prokuluskirchlein, een 7e eeuws kerkje met 8e eeuwse fresco’s, wat een schoonheid. 
We blijven de Etsch volgen. Het fietspad is mooi, maar ook de voorzieningen er omheen zijn verbazingwekkend goed. Regelmatig zijn er Rahdtreffen, bikehotels en fietsenmakers. Plus natuurlijk een overzicht van de route, dat ziet er goed uit voor ons.
Als Zuideuropees land doet ook Italië aan siesta’s. Ofwel de camping waar we aankomen is dicht tot 3 uur. We besluiten te wachten. Of toch maar niet? Net als we willen vertrekken, komt een dame aantrippelen. Met helblond haar en feloranje lippenstift is ze in vol ornaat voor een middag op kantoor. Ze gaat naar binnen en doet de deur achter zich dicht. Het duurt 10 minuten tot ze haar computer heeft opgestart en het drie uur is. Dan gaat de deur open. Er vormt zich een rijtje van drie. De slagboom gaat open, er rijdt een blauw busje door. De dame ontploft in een combinatie van Italiaans temperament, Duitse regeldwang en pure stress ‘Van wie is dat busje? Je mag niet zonder toestemming het terrein op. Je moet terug. Wachten op toestemming’. Het meisje achter me sputtert dat de baas dit zo uitgelegd had, maar nee, het busje moet terug. Net als ik me afvraag of we wel in dit kamp willen blijven ben ik aan de beurt. Voor trekkers is er eigenlijk geen plaats, wordt me gezegd, maar aan de rand van de camping is wel een klein hoekje waar we mogen staan. Het wordt precies aangeduid, naast het trapje en niet anders. Hiervoor geldt ook een aangepast tarief, dat kan alleen cash betaald worden. Het blijkt een plek met een paradijslijk uitzicht!





Van hier gaat het naar beneden. We zoeven langs de Haidersee. Het is een gave route, vol kwetterende Italianen op mountainbikes. In Mals zijn we toevallig precies op tijd om de uitleg mee te pikken van de 9e eeuwse fresco’s van de San Benediktkirche. We laten onze fietsen voor de kerk staan. Ontroerend, zo’n klein oud kerkje met zulke mooie schilderingen (vietato fotografare). Als we buiten komen vinden we onze fietsen in Fries gezelschap. Samen fietsen we de laatste kilometers. 





Het laatste stukje omhoog naar de camping is pittig. Met een knalrode kop rijden we het terrein op. We worden begroet door een groepje Nederlanders die voor hun tent zitten. Ik denk dat Carry een grapje maakt als hij meldt dat de plek voor onze tent vol in de zon ligt, maar helaas. Het is echt zo. Daar moeten we het mee doen deze keer. Het uitzicht maakt veel goed. De buren ook. Links van ons staan de fietsers uit Sliedrecht die we bij de grens tegen kwamen. Rechts staan de eigenaren van de fietsen uit Augsburg. 






Er komt nog één flinke helling, met een stuk tot 12%. Hier is de weg ook drukker. Sommige auto’s lijken te vergeten dat er een caravan achter hangt, die breder is dan de auto, en ze scheuren rakelings langs ons heen. Steil en met veel stenen biedt de berm weinig uitwijkmogelijkheden, in jargon van de provincie Overijssel is deze berm weinig vergevingsgezind voor stuurfouten. Garmin geeft aan wat het hoogste punt is, iets voorbij het kruisbeeld, maar in de berm ontbreekt elke aanduiding. Daar kunnen ze hier in Oostenrijk waarschijnlijk niet aan beginnen. Maar voor ons is het een mijlpaal, de Buchener Höhe op 1256 meter. Van hier dalen we af naar het dal van de Inn. We doen vlug even een jasje aan tegen de frisse wind tijdens de afdaling. We gaan de bocht door, onze snelheid neemt toe en daar ligt ineens in de volle breedte het dal. Wat een spektakel! Weids en prachtig. En wij zoeven naar beneden, over een helling van 9-10% over 7 kilometer. Met pijn in de handen van het knijpen in de remmen.
Hoe mooi de locatie ook is, de camping is niet zo fijn dat we hier een extra dag willen blijven. We zijn vroeg wakker en beginnen de dag met de broodjes die over zijn van de lunch van gisteren. Om 8 uur zitten we op de fiets. De eerste kilometers langs de Ammersee zijn rustig. De meeste toeristen slapen nog. Af en toe komen we een vroege fietser tegen. Hier ergens passeren we onze 1000 kilometerstand. Als de weg een beetje draait zien we in de verte al de Alpen, wazig en nog heel ver weg. Daar gaan we heen vandaag. 



De bergen om ons heen worden ruiger, de toppen kaal. Na ruim 90 kilometer is daar de geplande camping. Het is zo mooi als we gedacht hadden, met veel bosschages en aan het water. Maar we hadden niet gedacht aan het hoogseizoen. Wat kunnen er veel mensen op een camping. Wat een drukte. Oké, dat is goed voor één nacht, meer niet. 
Hoe de stad uit te komen blijft altijd een avontuur. Gelukkig heeft Carry de route op maat gemaakt en op de Garmin gezet. Dat maakt de weg vinden makkelijker, maar het fietspad vinden is een ander verhaal. Eerlijk gezegd snap ik er niets van, soms moet je op het voetpad, soms is er een tweebaansfietspad aan de overkant van de weg en soms fiets je gewoon tussen de auto’s. Wijzende mensen sturen ons bij en soms zijn we gewoon even lekker eigenwijs. Verder de stad uit fietsen we over de stuwdam, langs de kanobaan van de Olympische Spelen van 1972 en vervolgens langs de Lech. Nee, niet het vakantieskidorp van onze Lex en Maxima, maar een lokaal riviertje. 








Wat verderop zien we aan de overkant van het dal een kasteel staan. We wijzen, het ziet er mooi uit. Dan buigt de route, kronkelt wat, en hup, daar zitten we op de weg naar boven. Een flinke klim. Het kasteel zien we van heel dichtbij. Met deze klim gaan we meteen over de waterscheiding heen, van nu af aan stromen onze zweetdruppels niet meer naar de Noordzee, maar richting Zwarte Zee. 

Langs de spoorlijn gaan we verder. Zo’n railtraject is soepel fietsen. Langzaam dalen we naar de Donau. Dat klinkt serieus, zo voelt het ook, ergens vandaag zijn we over de helft van de afstand naar Venetië gegaan. Het laatste stukje valt me niet mee, ik heb last van de hitte, 36 graden. We maken een omweg op zoek naar een bouwmarkt. Iemand hier heeft bedacht dat camping gaz alleen bij bouwmarkten te koop is. Het was wat vragen en zoeken voor we daar achter kwamen.
Het trekkersveldje van de camping waar we terecht komen, is klein en heeft weinig schaduw. Het grenst wel aan de Biergarten. We mogen zelf een plekje zoeken. In de schaduw is het al behoorlijk vol. We installeren ons tussen de schommel en een speelbootje. De Friezen die we eerder tegen kwamen, staan een stukje verderop. We eten samen op het terras. Ondertussen vult het veldje zich met fietsers en hun tentjes. Onze route kruist de Donaufietsroute, dat verklaart de drukte. Het is wel duidelijk dat de gemiddelde leeftijd van de Donaufietser een stuk lager is dan die van de fietsers langs de Rijn. Aan het eind van de avond is het veldje vol als bij Lowlands op de eerste avond. 


