Om echt te landen in Myanmar blijven we nog een dag in Sagaing, een groen provinciestadje met zo’n 40.000 inwoners. Brede straten, niet echt druk, een relaxte sfeer. Zo aan het begin van de dag lopen overal monniken door de straten met hun etensbak, op zoek naar giften. Aan de rand van de stad ligt Sagaing hill, vol stupa’s en kloosters, bewoond door 6000 monniken en nonnen. We laten de fiets achter bij het beeld van een leeuw en beginnen aan de trap naar boven. 350 treden gaan we op naar de Pon Nya Shin Paya. Onderweg hebben we een paar keer een fantastisch uitzicht over de Irrawaddy en de gouden daken van stupa’s.
We ontmoeten een om geld zeurende monnik en giechelende Birmese stelletjes. Pon Nya Shin Paya dateert uit de 14e eeuw en is volgens de legende in één nacht gebouwd. De boeddha is heel hedendaags met veelkleurige knipperende ‘kerstverlichting’ aangekleed.
We komen de Birmese familie uit ons hotel tegen. De vrouwen en kinderen hebben hun gezicht licht geel gemaakt met thanaka. Dit is een pasta van gemalen boombast en ze gebruiken het als een soort dagcrème anex zonnebrand. Ons sprookje dat het wat met boeddistische gebruiken te maken zou hebben klopt dus niet. Bij Pon Nya Shin Paya regelen we een brommer naar Umin Thounzeh, we vinden het te warm om te lopen. Op deze galerij zit een imposante rij van 45 boeddha’s. Op de tegels aan de muur staat wie hier gesponsord hebben, met namen vanuit de hele wereld. We laten ons naar benden brengen, terwijl we ons afvragen of we eigenlijk wel duidelijk hebben kunnen maken waar onze fietsen staan. Dat gaat gelukkig goed. 
We fietsen nog wat rond, het nonnenklooster dat we zochten kunnen we niet vinden. Wel stuiten we op een klooster waar een hele rij monniken staat te wachten. We vragen ons af of het een bijzondere gelegenheid is want ze krijgen ook allemaal een tandenborstel en tandpasta. We mogen ook blijven eten maar we fietsen liever nog even verder.
We komen langs de grottempels van Tilawkaguru, afgesloten met een dik slot. Het ziet er wat vervallen uit, maar dat haveloze heeft ook zijn charme na alle keurig onderhouden pracht van vandaag. We stappen nog één keer af, voor de Sitagu Buddhist academy, een grote koepel, waar blijkbaar een vergaderzaal in zit waar met alle wereldgodsdiensten over vrede gesproken is. De versieringen, en de herhalingen van steeds dezelfde afbeeldingen, zijn prachtig. Maar eerlijk gezegd hebben we wel even genoeg boeddha’s en gouden stupa’s gezien. Het is klaar voor vandaag!




















Hij legt uit dat de ceremonies bij de subak, het Balinese irrigatiesysteem, horen. Als we een sarong omdoen en niet menstrueren mogen we de tempel ingaan. Het voelt toch altijd bijzonder om zo uitgenodigd te worden.


De eerste anderhalve kilometer waren zo steil dat we nog even met het idee gespeeld hebben terug te gaan en een auto te regelen. Dat hebben we niet gedaan. We hebben het gered. Nog nooit zo’n lange zeven kilometer gehad, 615 hoogtemeters en regelmatig hellingen van boven 20%. Boven komen we bij twee meren. Daar doen we wat alle toeristen en dagjesmensen doen, we maken een selfie en laten ons op de foto zetten. Tevreden dat we op eigen kracht boven gekomen zijn.

De palmbomen tussen de rijst, de rijtjes kousenband, een zwerm tamme eenden. Er komt een pickup met grote rose varkens langs. Het fietsen wordt zwaarder. Het laatste stuk valt niet mee. Een stop om op adem te komen geeft uitzicht op een crematieritueel. Een paar meiden komen aanlopen, willen hun Engels oefenen en geven graag uitleg.
