Rivièra

6 juni Ksamil – Qeparo

Het is zaterdagochtend. We verwachten dat het rustig is op de weg. Dat valt tegen. We rijden in een lange stroom nieuwe dikke auto’s. We passeren bouwputten van nieuwe hotels.

Sarande is druk en vol. De hotels verdringen elkaar voor een uitzicht op zee. Touringcars persen zich door te smalle straatjes. Dit is een standaardstadje aan zee, het kan overal zijn. Als dit een datingsite was, zou ik de kandidaat die zich hiermee presenteert afwijzen.

Maar dan rijden we het binnenland in. Het verkeer wordt rustiger en de uitzichten zijn fantastisch.

Het landschap is weids, open, ruig. De weg kronkelt zich langs de hellingen. De bermen bloeien in vele kleuren. We klimmen, we dalen, het is mooi fietsen.

We stoppen in Shënvasili, een klein dorpje. Het is niet toeristisch gelikt hier, het meisje van het café legt het menu in hakkelend Engels uit. Hier eten we geen koffie met taart, maar een bak yoghurt met honing.

We passeren een bord ‘welkom in de Albanese Riviëra’. We zien de kust weer. Het is bebost en groen. Er zijn wel hotels, maar die hebben het gewone leven nog niet verdrongen. In de verte ligt Korfu.

We rijden door olijfboomgaarden. Met haarspeldbochten rijden we omhoog. We dalen en zien de weg verderop al weer hoog tegen de berg aan.

Butrint

5 juni, Igoumenitsa – Ksamil

Na drie nachten laten we Igoumenitsa met haar Hell’s Angels achter ons. We zagen hoe de stad langzaamaan overspoeld werd door 5000 Hells Angels voor hun World Run 2026. Het voelt als een soort carnaval.

We ontbijten met uitzicht op zee. We raken in gesprek met een Belgische fietser, Serge. Hij vreesde het zwarte gat na zijn pensioen en is daarom naar de Zwarte Zee gefietst. De komende weken rijdt hij, net als wij, de Balkanroute. 

We rijden over een fietspad de stad uit. Juist als we tegen elkaar zeggen dat het vinden van zo’n fietspad het voordeel van een goede route is, komt Serge ons tegemoet. We kunnen er niet langs vanwege het feestje van de Angels. 

We passen de route aan en rijden een mooi binnenwegje langs sinaasappelboomgaarden in het binnenland. We stoppen voor koffie en het verbaast toch elke keer weer als we zien hoeveel sterke drank er op dit moment van de dag al doorheen gaat. 

We passeren de eerste hellingen en Carry’s nieuwe velg houdt het prima. Dat was het extra dagje Igoumenitsa zeker waard. Bij de grens staan lange rijen. Als ik kijk of ik tussen de auto’s door kan maant de douanier me tot geduld. Vanwege het tijdsverschil tussen Griekenland en Albanië krijgen we wel een uurtje extra. 

We laten ons meteen een nieuwe simkaart voor de westelijke Balkan aanpraten en we maken nog een foto van het bord Albanië. Tot zover het wij-komen-in-een-nieuw-land-ritueel. Als dit bord overigens maatgevend is voor de toestand van het land, dan geeft dat te denken.

De eerste indruk van Albanië is dat het weidser, armer en ruiger is dan Griekenland. We gaan het zien. We lunchen langs de weg. Nadat we in Griekenland gemakkelijk met Engels terecht konden, zijn we nu weer terug bij Google translate. Dat resulteert overigens in een prima lunch.

Met een wel heel authentiek pontje steken we het Kanali Vivarit over. Meteen aan de overkant is de ingang van het Butrint nationale park. We hebben dat extra uurtje en gaan naar binnen, ruïnes kijken.

Volgens de legende is de stad gesticht door Trojaanse vluchtelingen. Er zijn overblijfselen uit de Griekse, Romeinse, Byzantijnse en Venetiaanse tijd. Nu is alles half overgroeid, zodat je prima in de schaduw kunt wandelen. Onder alle begroeiing ligt vast nog veel meer.

Eindpunt vandaag is een camping in Ksamil. Ksamil blijkt een zeer toeristisch stadje. De camping valt tegen, de campers staan hutje mutje op de kiezels. Gelukkig zijn er hotels genoeg.

Igoumenitsa

2 juni, Prevesa – Igoumenitsa

We rijden Preveza uit. Het was een verrassend leuk stadje. Op de boulevard was meer reuring dan we tot nu toe gezien hebben. Zo gauw we de stad uit rijden komen we langs een indrukwekkende muur, resten van Nicopolis.

We worden ingefluisterd (dank Niels) dat dit de stad van de overwinning is en aanleiding voor de dood van Cleopatra. Als we dit nazoeken vinden we politieke intriges en mooie verhalen. 

We beginnen de dag met kleine weggetjes en even zo veel klimmetjes. Het geploeter leidt tot levenswijsheid.

Screenshot

Binnen de kortste keren lopen we onze fiets te duwen. Een voorbijganger vraagt of hij me een handje kan helpen. Graag!

Het valt op dat de stadjes waar we doorkomen allemaal zo hun eigen kwaliteit hebben. De een is wat meer jaren ‘80, de ander heeft een groot strand.

We stoppen voor koffie met uitzicht op zee. Dan fietsen we de baai uit, haarspeldbochten en 200 meter omhoog. Voor dit soort kunstjes begint het warm te worden. Het is heerlijk om daarna met een fris windje zachtjes te dalen. Een berm vol bloeiende brem en bougainville maakt het helemaal mooi.

Er zit nog één lange klim in vandaag, met 5 à 6 % niet echt steil, maar het is warm. In de volle zon gutst het zweet eruit. Het is een vicieuse cirkel, naarmate het warmer is ga je langzamer en naarmate je langzamer gaat mis je de rijwind. Maar goed, ook hier komen we boven. Het leed is snel geleden als we in de schaduw van olijfboomgaarden naar beneden rijden.

Igoumenitsa is de laatste Griekse stad voor de grens. Bijzonder vind ik dat het tot 1913 Turks was. Verder is het niet zo speciaal, maar er zit wel een fietsenmaker. We hebben al contact gehad. Hopelijk heeft hij een oplossing voor Carry’s achterwiel. En dit weekend is hier de jaarlijkse world run van de hell’s angels, dus de stad wordt overspoeld met bijzondere types met allemaal hetzelfde zwarte hesje. 

Uitzicht

1 juni, Astakos – Preveza

Astakos ligt mooi verscholen in een baai. Dat betekent automatisch klimmen om weg te komen. Dus zo starten we.

Het is heerlijk rustig op de weg. Het zal wel zijn omdat het vandaag Agios Pnevmatos is, de dag van de Heilige Geest, ofwel tweede pinksterdag. Het is net als bij ons een vrije dag.

We volgen nog steeds de EV8. Vandaag komen we zelfs richtingbordjes tegen. Maar eigenlijk is dat bijzaak, het gaat om de uitzichten.

Bij elke bocht, bij elk klimmetje is het uitzicht weer anders. Steeds is het mooi, de zee, de rotsen, de begroeiing. En af en toe horen we de bellen van de geiten klingelen. 

We doen boodschappen om ergens op een strandje te lunchen. Maar juist tegen lunchtijd passeren we een dorpje met wat terrassen aan het water en laten we ons verleiden tot een warme hap. Volgens de eigenaar heeft hij de beste moussaka van Griekenland. Dat weet ik niet, maar lekker is het wel.

We rijden verder, het binnenland in. We moeten een stukje over een drukke grote weg. Bij de afslag staat een bordje ‘road closed’. Ik twijfel, Carry zet door. Het is een mooie afdaling, maar ik zit toch wat ongemakkelijk, ik hoop vooral dat we dadelijk niet weer terug moeten.

Om in Preveza te komen moeten we door een onderzeese tunnel. Dat mag niet met de fiets. Het idee is dat je naar de tolpoort gaat en over gezet wordt door iemand van wegbeheer. Alleen zijn vandaag de ambtenaren vrij. Dus komt er een taxibusje. Daar past alles net niet in. De achterklep blijft op een kier en de schuifdeur houden we vast zodat die niet open glijdt. Gelukkig is de tunnel maar 1,6 kilometer lang ofwel twee minuten rijden. Vijfentwintig euro lichter staan we aan de overkant.